In oktober brengt de AWTI een advies uit over practoraten. Waarom is de bijdrage van mbo’s aan onderzoek en innovatie nog zo onbekend en toch zo belangrijk? We blikken vooruit op het advies met raadslid Peter Werkhoven, voorzitter van de projectgroep die het voorbereidt. “Iets maken is niet minder knap dan iets bedenken.”
Universiteiten hebben professoraten, hbo’s lectoraten; mbo’s sinds een jaar of tien practoraten, waar in samenwerking met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties wordt gewerkt aan onderwijsinnovatie én studenten bijdragen aan praktijkonderzoek.
Sinds 2012, toen de pioniers begonnen bij het Mediacollege in Amsterdam, is hun aantal in iets meer dan tien jaar tijd gegroeid tot een kleine honderd nu. Minister Letschert van OCW beslist komende winter over de financiering van het mbo en vroeg de AWTI om een advies over hun potentiële meerwaarde van practoraten.
Voor Peter Werkhoven is het belang van flexibel denkende, onderzoekende praktijkmensen evident. Hij is hoogleraar computerwetenschappen, maar is ook gewend de handen uit de mouwen te steken met tijdens het praktijkonderzoek dat hij opzette bij TNO. Ook in zijn familie staan ambacht en vakbekwaamheid hoog in het vaandel: zijn vader, opa én overgrootvader waren timmerman. “Iets bedenken kan knap zijn, maar iets maken is dat ook.”
Waarom geeft het AWTI advies over practoraten?
“Vanwege het praktijkonderzoek dat ze doen. Practoren leggen contact met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, horen daar welke concrete vragen er leven en zorgen zo dat mbo-studenten betrokken raken bij praktijkonderzoek. Die verbindende rol is een ontzettend belangrijke schakel in innovatie. Er zijn nog steeds mensen die denken dat nieuwe ideeën in praktijk brengen vanzelf gaat, als ze eenmaal bedacht en onderzocht zijn. Dat is zeker niet zo. Integendeel.”
Waarom voel je je persoonlijk aangesproken door dit advies?
“Het gaat om iets waar ik me al mijn hele werkende leven over verbaas: als een uitvinding succesvol is, gaat meestal alle waardering daarvoor naar de bedenkers en de verkopers. Maar de makers, die daar tussenin zitten, daar horen we niets meer over. Terwijl hun bijdrage een even zo waardevolle stap in het proces is geweest. Iets kunnen máken is niet minder knap dan iets bedenken. Ik dacht daar weer aan toen ik The Odyssey zag. Odysseus wordt geroemd als de bedenker van het paard van Troje. Over de vakman Epeios, onder wiens leiding het paard gemaakt is, hoor je minder.”
Hoe heb jij dat zelf in praktijk ervaren?
“In de praktijk komen we even complexe uitdagingen tegen als in de theorie. Ik zag dat bijvoorbeeld bij TNO, waar onder andere gewerkt werd aan het oppompen van mengsels van stenen, water en gassen. Voor elk los onderdeel daarvan is er wel academische theorie, maar als ze allemaal door elkaar zitten moet je praktische methoden ontwikkelen. Dat vraagt om praktische vaardigheden, creativiteit, uitproberen en testen. Dat is een vak apart.”
Is die meerwaarde van practoraten al voldoende zichtbaar?
“Er zijn onderwijsvernieuwende practoraten en er zijn practoraten waar wordt gewerkt met concrete onderzoeksvragen van bedrijven en bijvoorbeeld de zorg. Die samenwerking is nog heel pril en waar die samenwerking al vergevorderd is, dreigt vaak alweer het einde van de projectsubsidie. Uit praktijkvoorbeelden blijkt dat practoraten enorm waardevol kunnen zijn voor de innovatieve kant van het bedrijfsleven, de zorg en andere maatschappelijke organisaties, maar dan moet er wel iets gebeuren.”
Waar gaat het al zichtbaar goed bij practoraten? Wat zijn je favoriete voorbeelden?
“Een van de voorbeelden die we in het advies noemen is het practoraat Instrumentation for Space van de Leidse Instrumentmakersschool, waar ze optische systemen maken voor de ruimtevaart, in samenwerking met bedrijven in de buurt. We hebben ook mooie voorbeelden gezien bij Dierenwelzijn en Gezondheid in Barneveld en Zorg en Technologie bij samenwerkende scholen in Drenthe en Groningen. Steeds worden er mooie bruggen geslagen tussen de echte wereld, onderzoek en onderwijs. ”
Deze zomer kwamen de ministeries van OCW en EZK met een Talentstrategie om Nederland innovatiever en productiever te maken. Hoe dragen practoraten daaraan bij?
“Innovatiever werken en onze productiviteit verhogen vraagt om een nauwe afstemming tussen behoeftes van de maatschappij, werkgevers en het onderwijsaanbod. Kenmerkend voor succesvolle practoraten is precies dát: onderwijs en het oplossen van actuele vragen gaan daar hand in hand. Dat maakt de opleidingen en dus ook de studenten heel wendbaar. Practoraten kunnen die cruciale schakel vormen die wat er in de echte wereld gebeurt effectief vertaalt naar wendbaar onderwijs en innovatief vakmanschap.”
Niet iedereen staat te juichen bij practoraten. Mag onderzoek op een mbo wel onderzoek heten?
“Ik snap best dat universitaire onderzoekers, ik ben er zelf ook nog eentje, zich altijd zorgen maken over de verdeling van het geld voor onderwijs en onderzoek. Maar als je naar de budgetten van practoraten kijkt, is dat eigenlijk een beetje flauw. Er is nu één professor op 105 studenten, één lector op 570 hbo-studenten en één practor op 4.600 mbo-studenten. Het gaat letterlijk om een paar procent van de budgetten. Wél vind ik, net als veel practoren die we bij het voorbereiden van dit advies hebben gesproken, dat we heel helder moeten afspreken welke plek practoraten innemen in de innovatieketen. Een practor doet niet hetzelfde als een lector of professor. Het gaat er juist om dat de practor iets kan wat een lector of professor niet kan.”
Voor wie is dit advies interessant? Waarom moeten zij reikhalzend uitkijken naar dit advies en het straks zéker lezen?
“We hopen natuurlijk dat beleidsmakers bij het ministeries en de mbo’s zelf ons advies ter harte nemen en ermee aan de slag gaan. Maar we moeten van buiten naar binnen denken: het gaat om de bijdrage van het mbo aan de toekomst van Nederland. Ik hoop dus dat dit advies leidt tot bijval van innovatieve bedrijven en organisaties die mbo'ers in dienst nemen en bedrijven en organisaties die met het mbo samenwerken of samen willen werken om hun eigen praktijk te innoveren. Daar gebeurt het. Als die brood zien in ons advies, dan hebben we het goed gedaan.”
Wat zou je tegen mensen die nog twijfelen over het potentiële nut van practoraten willen zeggen?
“Een warmtepomp moet niet alleen bedacht, maar ook gemaakt en geïnstalleerd worden. Vaak gebeuren die dingen door vakmensen met een goed stel hersens én handen. Je wilt toch niet dat straks de energietransitie mislukt, omdat we niet genoeg vakmensen hebben opgeleid die zorgen dat wat op de tekentafel is bedacht, in de praktijk ook echt wérkt?”
Beeld: © AWTI
Peter Werkhoven