Als R&D-manager bij Unilever leerde Manfred Aben, opgeleid als informaticus maar tot zijn pensioen werkzaam in de voedselinnovatie, hoe lastig het is om het gedrag van miljoenen consumenten te veranderen. Nu wil hij deze ervaring inzetten voor de AWTI. “Als je je bezighoudt met dingen die je graag én goed doet, komen er onvermoede krachten vrij.”
Beeld: © AWTI
Nieuw raadslid Manfred Aben.
Manfred Aben wordt in 1964 geboren in Halfweg, aan de trekvaart tussen Amsterdam en Haarlem, als jongste van vier broers en zussen. Als eerste van het gezin, waarvan vader Hans bedrijfsleider is bij C&A, gaat hij naar het gymnasium in Haarlem en naar de universiteit in Amsterdam.
Lang heeft hij het plan om, net als de vaders en moeders van veel van zijn nieuwe middelbare-schoolvrienden, chirurg te worden. Maar dan krijgt hij zijn eerste programmeerbare rekenmachine van HP. De in die tijd ongekende mogelijkheden van dat apparaat vindt hij zó fascinerend, dat hij van de opbrengst van zijn zaterdagbaantje bij de Hema voor 3000 gulden zijn eerste computer koopt. En al snel kiest voor een studie informatica.
Als Aben, op het punt staat om te gaan promoveren op kunstmatige intelligentie, tikt een collega hem op de schouder. Unilever zoekt iemand om een kennissysteem te ontwikkelen om de houdbaarheid van voedingsproducten voorspellen aan de hand van de ingrediënten. “Ok”, denkt Manfred, bij zijn eerste opdracht, “doe ik eerst dát een tijdje.” Dat tijdje wordt dertig jaar.
Waar ben je trots op?
“Op onze twee zoons, die nu allebei studeren en het ontzettend goed doen. In mijn werkende leven geldt eigenlijk hetzelfde: ik geniet intens als ik zie hoe de mensen waar ik mee gewerkt heb, zijn gegroeid en hoeveel impact we samen hebben gemaakt. Persoonlijk ben ik tevreden over de manier waarop ik mijn eigen doelen en die van mijn werk op één lijn heb kunnen brengen. Als je je hele leven mag bezighouden met dingen die je graag én goed doet, dan komen er onvermoede krachten vrij. Dat wordt bij Unilever erg belangrijk gevonden en mede daarom heb ik het er daar zo lang naar mijn zin gehad.”
Hoe wordt een informaticus een innovatie-expert?
“Zeker in mijn begintijd was mijn rol niet om zelf die expert te zijn, maar juist om de kennis van experts samen te brengen. In zo’n positie mag je heel veel domme vragen stellen en doe je ontzettend veel kennis op. En je brengt experts op ideeën door op een andere manier naar uitdagingen te kijken. Zo ben ik steeds meer in het aansturen van innovatieprocessen verzeild geraakt. Ook heb ik lang gewerkt in Azië en veel bewondering gekregen voor de cultuur daar. Daar is alles gericht op vooruitgang: het kan alleen maar beter worden, dáár werken mensen voor. In Europa lijkt het wel alsof mensen denken dat alles alleen maar slechter kan worden. Dat maakt ons erg behoudend. Ons individualisme helpt ook niet, we werken versnipperd in diverse clubs aan dezelfde dingen. Juist in het organiseren en integreren van kennis schuilt ontzettend veel meerwaarde.”
Wat heb je daar zélf aan proberen te veranderen?
“Ik hou van mensen die bevlogen zijn, voor een hoger doel gaan en ik krijg veel energie van dingen beter maken. Wat een mooie manier is om te zeggen dat ik graag samenwerk en een beetje ongeduldig ben. In de transitie naar een duurzamer voedselsysteem moet er écht wat veranderen. Iedereen weet wat er moet gebeuren, zoals regeneratieve landbouw en een verschuiving van dierlijke naar meer plantaardige producten. Er zijn heel veel publiek-private samenwerkingen om dat uit te voeren. Meer afstemming in het innovatie-ecosysteem van de voedseltransitie is daarom heel belangrijk. Ondertussen is consumentengedrag veranderen écht enorm moeilijk. Produceer maar eens voedsel voor miljoenen mensen, met elke dag dezelfde kwaliteit, én betaalbaar, én veilig én lekker. Dat zijn mechanismen die je niet van de ene op de andere dag verandert. Als alle organisaties die de voedseltransitie op gang willen brengen samenwerken, kan er sneller en meer impact bereikt worden. De Next Food Collective, waarvan ik de Raad van Toezicht voorzit, is opgericht om dat te bereiken. Ik denk dat we op deze manier eindelijk beweging in de zaak kunnen krijgen.”
Wat drijft je om over wetenschap, technologie en innovatie te adviseren bij de AWTI?
“Het besef dat er zó veel mogelijk is met de kennis en de creativiteit die we al bezitten. We weten bij de meeste maatschappelijke uitdagingen wel zo ongeveer hoe we die moeten oplossen. Waar ik eerlijk gezegd me wel eens zorgen over maak, is hoe politiek kwetsbaar inhoudelijke kennis is geworden. Ik heb ontzettend veel respect voor mensen die kiezen voor politiek, zich met hart en ziel inzetten voor Nederland, maar om complexe problemen op te lossen hebben we gewoon inhoudelijke kennis nodig, die boven partijpolitiek gaat. Organisaties als het Rathenau Instituut, de WRR en de AWTI spelen daar een grote, positieve rol in. Als ik ook maar een beetje kan bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen op basis van wetenschappelijke kennis, dan wil ik dat heel graag doen.”
Wat hoop je te brengen?
“Mijn start bij de raad komt op een mooi moment: er is nu een kabinet, dat grote problemen van onze tijd wil gaan aanpakken en daar mensen voor in beweging wil gaan brengen. Ik mopperde net over het individualisme in Europa, maar we hebben één grote kracht: de creativiteit van onze netwerken. Ik breng veel kennis, ervaring en een groot netwerk uit het bedrijfsleven mee. De kracht van het bedrijfsleven is dat we op een heel efficiënte en effectieve manier mensen bij elkaar brengen. Het spreekt me erg aan dat deze raad er niet op uit is om alleen maar documenten te produceren, maar om écht impact te maken.”