Het coalitieakkoord neemt veel over uit het rapport-Wennink. Maar wie innovatie wil inzetten voor grote maatschappelijke transities, heeft meer nodig dan technologische investeringen alleen, schrijven Mirjam van Praag, Marleen Stikker, Jolanda Kluin en Gerben Edelijn van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie in het FD.
In het economische debat richting het coalitieakkoord was één stem dominant: die van voormalig bestuursvoorzitter van ASML, Peter Wennink. In december 2025 riep hij op tot een radicale investeringsagenda, vooral in technologie. Zijn redenering: investeringen in technologie bepalen onze concurrentiepositie, economische groei en arbeidsproductiviteit. Tegelijk krijgen ze steeds meer strategische betekenis in een wereld van rivaliserende grootmachten.
Volgens Wennink moet de overheid vooral de randvoorwaarden op orde brengen zodat bedrijven kunnen investeren. Denk aan snellere vergunningverlening, minder regels en meer experimenteerruimte. Ook kan de overheid regionale innovatie-ecosystemen stimuleren waarin wetenschap en ondernemerschap samenkomen. Een nationale investeringsinstelling zou private en institutionele investeringen in start-ups en scale-ups aantrekkelijker moeten maken, terwijl een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie radicale technologische vernieuwing kan financieren.
Maatschappelijke missies
Tegelijk verscheen het proefschrift van Jan Jacob Vogelaar, geïnspireerd door de econoom Mariana Mazzucato. Daarin staat juist een overheid centraal die niet alleen faciliteert, maar ook richting geeft aan maatschappelijke missies. Innovatie is volgens deze benadering niet alleen technologisch, maar ook sociaal en maatschappelijk. Doorbraken ontstaan in innovatieclusters waarin overheden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties samenwerken.
De centrale missie en visie op overheid én innovatie in het coalitieakkoord zijn opvallend ‘Mazzucato-stijl’ en lijken op punten strijdig met de voorgestelde innovatie-instrumenten in de ‘Wennink-stijl’.
Ten eerste de centrale missie. Waar Wennink economische groei en technologische kopposities centraal stelt, kiest het coalitieakkoord voor een bredere doelstelling: het versnellen van transities op het gebied van zorg, energie en klimaat, mobiliteit, wonen en digitale autonomie. Het kabinet wil maatschappelijke uitdagingen aanpakken ten behoeve van brede welvaart en weerbaarheid.
Ten tweede de rol van de overheid. Waar Wennink vooral een faciliterende overheid voor ogen heeft, kiest het coalitieakkoord nadrukkelijker voor regie. De overheid wil samen met bedrijven, kennisinstellingen en regio’s transities versnellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld via geoormerkte fondsen voor woningbouw, nationale regie op ruimtelijke keuzes en investeringen in kernenergie en energieopslag. Ook wil het kabinet bestuurlijke afspraken maken met de industrie over verduurzaming.
Sociale aspecten
Ten derde het perspectief op innovatie. Waar Wennink vooral over technologische innovatie spreekt, heeft het coalitieakkoord meer oog voor de institutionele en sociale aspecten van innovatie die belangrijk zijn voor het versnellen van transities. De energietransitie had bijvoorbeeld sneller kunnen verlopen als naast nieuwe technologie meer aandacht was geweest voor energienetten, opslag, gedragsverandering en het afbouwen van fossiele energie.
Opvallend is dat het innovatie-instrumentarium in het akkoord vooral technologisch van aard blijft. De innovatieparagraaf lijkt grotendeels gebaseerd op het rapport-Wennink, zij het in minder ambitieuze vorm. Daardoor sluit het instrumentarium minder goed aan bij de maatschappelijke ambities van het kabinet.
Gelukkig kiest het akkoord wel voor een innovatieclusterbenadering in vier domeinen: AI en digitale weerbaarheid, veiligheid en defensie, energie en klimaat, en zorg en gezondheid. Kennisinstellingen spelen daarin een centrale rol. Als de coalitie haar missie serieus neemt, moet het innovatiebeleid daarop worden ingericht
Dat vraagt om drie duidelijke voorwaarden voor innovatie-instrumenten.
Allereerst maatschappelijke focus. Verbind elk instrument expliciet aan onderzoeks- en innovatieagenda’s rond urgente maatschappelijke opgaven, zoals digitale veiligheid, betaalbare zorg en de energietransitie.
Daarnaast, een systeemaanpak. Technologische innovatie alleen is onvoldoende. Ook sociale en institutionele innovatie, gedrag en maatschappelijke initiatieven zijn nodig om doorbraken te realiseren.
Tot slot: samenwerking. Stimuleer brede innovatie-ecosystemen waarin kennisinstellingen, bedrijven, overheid en maatschappelijke organisaties samen werken aan oplossingen en deze ook in de praktijk brengen. In Nederland bestaan zulke ecosystemen al. Rond halfgeleiders in Eindhoven, voeding in Wageningen, watermanagement in Leeuwarden en biotechnologie in Leiden werken kennisinstellingen, bedrijven en overheden intensief samen aan innovatie én een gunstig investeringsklimaat.
Duidelijkheid voor bedrijven
Door innovatiebeleid aan deze drie voorwaarden te verbinden, geeft het kabinet niet alleen richting aan onderzoek en innovatie, maar ook duidelijkheid aan bedrijven, kennisinstellingen en burgers. Die voorspelbaarheid kan private investeringen in innovatie versterken.
Wie weet lukt het Nederland dan eindelijk om de Europese norm te halen: 3% van het nationaal inkomen investeren in onderzoek en ontwikkeling. Belangrijker nog: met gerichte regie kan het kabinet ervoor zorgen dat de euro’s maatschappelijk gezien ook goed besteed zijn.
Beeld: AWTI
Fragment van het artikel in Het Financieele Dagblad.