Als lid van de Eerste Kamer stond historicus en econoom André Postema, tegenwoordig bestuursvoorzitter van Zuyd Hogeschool, regelmatig met een advies van de AWTI in de hand. Nu treedt hij toe tot de raad. “De stap van de academie naar zinvolle toepassing wordt in Nederland maar moeizaam gemaakt.”

Nieuw raadslid André Postema

André Postema groeit op in een groot Gronings arbeidersgezin van vader Joop en moeder Wiep als negende en laatste kind, met één droom: hij wil mijnwerker worden. Dat lijkt hem zo’n stoer en romantisch beroep. Het leven brengt hem elders. André blijkt goed te kunnen leren en op de middelbare school verschuift zijn belangstelling naar ontwikkelingssamenwerking.

Na een propedeuse geschiedenis in Leiden en doctoraal economie in Groningen gaat hij via het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nationale Investeringsbank de wereld over. Ook romantisch, maar dan anders. Nadat hij sinds 2005 in Limburg woont en werkt, als bestuurder van de Universiteit Maastricht, het Limburgs Voortgezet Onderwijs en sinds 2022 van Zuyd Hogeschool, heeft hij alsnog veel over dat ondergrondse leven geleerd. “Hoeveel impact de mijnen, zowel voor als na het sluiten ervan, op mensen gehad hebben, maakte een grote indruk op mij.”

Wie was je grote voorbeeld of waar heb je het meest van geleerd?
“Ik heb in Groningen erg veel geleerd van algemeen econoom Angus Maddison, die helaas overleed voor hij een Nobelprijs kon krijgen. Die had hij wat mij betreft zeker verdiend. Maddison had een uniek inzicht in welke factoren de welvaart en economische groei van landen bepalen. Zijn historische tijdsreeksen van productiviteitscijfers worden nog steeds aangehaald. Kennis waar ik bij de Nationale Investeringsbank en ook daarna veel profijt van had.”

Wilde je zelf niet door in de wetenschap?
“Ik had graag willen promoveren, maar koos er niettemin voor om eerst praktische ervaring op te doen in verschillende bedrijfstakken en in verschillende landen. Ook de overstap naar de consultancy heeft me veel gebracht. Idealen zijn mooi, maar moeten wel betaald worden. Je mag best vragen of een voorgesteld project financieel duurzaam is en of de opdrachtgevers voldoende waar voor hun geld krijgen. Een van de dingen waar ik in de ontwikkelingshulp wel eens moeite mee had, is de ongelijkheid van de transactie. Bij noodhulp is dat prima, want dat kan dan even niet anders. Maar buiten noodsituaties bereik je meer met een eerlijke ruil. Van promoveren is het overigens nooit meer gekomen. Het liep allemaal anders. Maar wie weet…”

Waar ben je trots op, als je kijkt naar je werkzame leven tot nu toe?
“Ik heb altijd mogen werken voor organisaties die een steentje bijdragen. De impact die je dan samen maakt op de maatschappij, klanten, patiënten, studenten – daar ben ik trots op. Als bestuurder van het Martini Ziekenhuis gedurende de COVID-crisis heb ik dagelijks ervaren hoe enorm gemotiveerd ziekenhuismedewerkers zijn, werkelijk alles uit de kast halen voor hun patiënten. En hoe snel er in de ziekenhuizen geleerd wordt. Daar kan menige organisatie, inclusief mijn eigen hogeschool, een voorbeeld aan nemen.

Wat drijft je om bij de AWTI met wetenschap, technologie en innovatie bezig te gaan?
“Ik ben acht jaar lid van de Eerste Kamer geweest. Ik heb toen de adviezen van de AWTI met extra belangstelling gevolgd. Als woordvoerder economie en innovatie stond ik regelmatig met de AWTI-rapporten in de hand te debatteren. Die doen ertoe. En ik zie uiteraard uit naar de samenwerking met de collega-raadsleden en de staf van de AWTI. Een inspirerend gezelschap, waar ik zeker een hoop van zal gaan leren. Ik heb er veel zin in!”

Wat hoop je aan AWTI bij te dragen?
“Mijn speciale aandachtsgebied zullen het beroepsonderwijs en praktijkgericht onderzoek zijn, maar ik denk dat ik met mijn bestuurlijke ervaring in profit én non-profit , universiteit én hogeschool ook mooie verbindingen tussen die werelden kan leggen. Ik verheug me dan ook vooral om met de vele stakeholders van de AWTI in gesprek te gaan. Verder heb ik me lang beziggehouden met valorisatie, hoe we nieuwe kennis in de praktijk brengen. Dat is wel een rode draad in mijn werk.”

Wat is je belangrijkste inzicht, waar het om valorisatie gaat?
“Twee dingen. Dat juridisering voor kennisinstellingen echt een vijand kan zijn. Als je nieuwe kennis probeert te beschermen met contracten of achter betaalmuren plaatst, dan gebeurt er heel vaak vooral niets. Dat vind ik zo mooi in het hoger beroepsonderwijs: wij doen niet aan intellectueel eigendom. Want: wat wij doen is voor het werkveld en voor de maatschappij. De stap van de academie naar zinvolle toepassing wordt in Nederland maar moeizaam gemaakt. Onderzoek is ontzettend belangrijk, maar komt niet tot leven via een wetenschappelijk artikel alleen.”

En je andere inzicht?
“Uiteindelijk is alles regionaal. Dat klinkt als een open deur, maar het is echt zo. Eindhoven is anders dan Maastricht en Maastricht is anders dan Rotterdam of Enschede. Ik zou zelf heel graag zien dat nationaal beleid dat van de economische regio’s ondersteunt. In plaats van andersom. We kunnen, als de juiste verbanden worden gelegd, met bestaande middelen zóveel meer doen.”